Marcel Mariën

In het pantheon van het surrealisme, waar Magritte met zijn pijp en Dalí met zijn gesmolten horloges de onbetwiste sterren zijn, huist er één figuur die niet alleen aan het heilige huisje van de beweging morrelde, maar er ook nog eens de belangenbehartiger, archivaris, publicist, onruststoker én huisvriend van was: Marcel Mariën.

Mariën was het artistieke equivalent van een menselijke octopus: acht armen tegelijk aan het werk, en allemaal even stuurloos als wonderbaarlijk. Hij weigerde zichzelf te laten vangen in één discipline. Waarom zou je kiezen tussen collage, fotografie, assemblage, poëzie en film, wanneer je ze allemaal tegelijk kunt gebruiken om de burgerlijke moraal op zijn kop te zetten?

La meilleure ennemie de l’esprit, 1984

De Benjamin van het surrealisme

Geboren in 1920 in Antwerpen, begon Mariën zijn loopbaan op vijftienjarige leeftijd als leerling-fotolaborant. Hij kwam als de jongste telg binnen in de Brusselse surrealistische kring nadat hij in 1937 voor het eerst het werk van René Magritte had gezien. Terwijl André Breton vanuit Parijs de beweging als een soort paus regisseerde, bewees Mariën samen met de bonte Brusselse vriendengroep rond Magritte en Paul Nougé dat het Belgische surrealisme niet alleen niet onderdeed voor de Fransen, maar vaak scherper, ironischer en minder dogmatisch was. Van in het prille begin stelde Mariën mee te tentoon in internationale exposities. Daarnaast was hij ook actief als publicist en schrijver. Hij redigeerde tijdschriften, publiceerde essays, en hield de vingers aan de pols van het internationale surrealistische circuit. Zijn kennis van de beweging was zo grondig dat hij vaak werd geraadpleegd als levende encyclopedie van het surrealisme.

Les débutants, 1987

Rust noch duur

Zijn loopbaan, een aaneenschakeling van quasi-absurdistische uitersten, leest als een echte schelmenroman. Mariën diende als verpleger in het Belgisch leger bij het begin van de tweede wereldoorlog, werd door de Duitsers gevangengenomen bij Duinkerke en in een gevangenkamp opgesloten. Na de tweede wereldoorlog brachten zijn rusteloosheid en subversiviteit hem heel de wereld rond. Eerst begon hij nog een boekenwinkel en publiceerde hij meerdere tijdschriften, maar in 1951 monsterde hij aan als matroos op een Deens vrachtschip om de zeven wereldzeeën te bevaren, wat naar zijn zeggen het begin was van een intensieve smokkelcarrière. Hij redigeerde het invloedrijke tijdschrift Les Lèvres Nues (De Naakte Lippen), dat hij in 1954 startte terwijl hij als typist in een raffinaderij werkte — simpelweg om op zijn werk druk in de weer te lijken en kantoormateriaal te kunnen stelen voor zijn publicaties. Later werkte hij in een voetbalpronostiekbedrijf, waarbij hij een lezerswedstrijd in een krant vervalste om vervolgens met het gewonnen geldbedrag een film te draaien (1959): L’imitation du Cinéma. Vanaf 1962 woonde en werkte Mariën een jaar in de VS in de hoop daar als scenarist carrière te maken, maar hij werd gedwongen te overleven met kleine jobkes, onder meer als nachtwaker bij een oude bedlegerige man. Vervolgens verkaste hij twee jaar naar China als vertaler voor het tijdschrift China Under Construction, waarbij hij prompt gedesillusioneerd raakte door het maoïsme.

Cherchez la Femme, 1982

Vriend, Vijand en Partner in Crime

De relatie met René Magritte is een hoofdstuk op zich. Mariën schreef in 1943 (toen nog in gevangenschap) de allereerste monografie over Magritte, maar hun vriendschap had ook een minder legale zijde. Tijdens de tweede wereldoorlog verkocht Mariën in Parijs door Magritte vervaardigde vervalsingen van Ernst, Braque, Picasso en Chirico. In 1953 probeerden de twee samen (zonder veel succes) vervalste briefjes van 500 frank te ruilen aan de Belgische kust, gedrukt door Magrittes broer Paul. De breuk kwam in 1962, toen Mariën met Leo Dohmen in het pamflet La Grande Baisse de steeds burgerlijker levensstijl van Magritte genadeloos hekelde. Voor Mariën was surrealisme geen decoratiestijl voor in de huiskamer, maar een permanente staat van revolte. Hij liet dan ook niet na koppig zijn versie van de feiten te publiceren, zowel in zijn autobiografie Le Radeau de la Mémoire als in allerlei schotschriften. Dat bracht hem regelmatig voor de rechter, onder meer door toedoen van Georgette Magritte die de nagedachtenis van haar man zocht te beschermen, maar het moet gezegd dat Marcel steeds in het gelijk werd gesteld.

Leo Dohmen – Marcel Mariën, La Grande Baisse, 1962

Verstorende ontmoetingen

In zijn kunst zocht Mariën naar wat hij “verstorende ontmoetingen” noemde. Al in 1937 maakte hij L’introuvable (Het Onvindbare): een brilmontuur met slechts één glas, een perfect voorbeeld van hoe hij alledaagse objecten ontdeed van hun functie. Veel van zijn vroege werken draaiden rond fotografie, waarbij niet de esthetiek vooropstond, maar het idee. Vaak combineerde hij foto’s en collages met tekstelementen. Zijn film L’Imitation du Cinéma (1959) was zo provocerend dat hij in Frankrijk werd verboden en in België voor schandalen zorgde.

Voor Mariën was de vrouw in zijn kunst nooit een passieve muze in de romantische zin, maar een actief onderdeel van een surrealistische puzzel. Al in zijn vroege werk, zoals de iconische foto De Sade à Lénine (1943), gebruikt hij het vrouwelijk lichaam om politieke en filosofische contrasten te schetsen (een vrouw die brood snijdt tegen haar naakte torso, waarbij het mes de lijn trekt tussen sadisme en revolutie).

La Madone de Milo

“Zijn collages zijn zozeer verbonden met de taal en aan het breed-surrealistisch referentiekader van Nerval tot Roussel, Duchamp tot Ernst – en vooral Magritte – dat men veeleer moet spreken van driedimensionele gedichten. Waar het kan hanteert Mariën speelgoed of reprodukties naast onbenullige voorwerpen in zijn constructies. Hij blijft op verre afstand van het ‘mooie, esthetische, illusoire’: zijn trompe l’oeil is bedoeld als eye-opener, als bewustmaker, niet als illusie. Mariën speelt met voorwerpen zoals rasechte causeurs met woorden spelen, hij is een virtuoos van het ‘andere zien’; zelden roepen zijn werken emoties op. Humor, cerebraal of spontaan, en seksuele symboliek overheersen in zijn oeuvre. Er zit geen ego in het oeuvre, geen pathos. Wel een persoonlijke interpretatie van de pompositeit van de wereld, van de grootspraak van de kunst (zijn poëzie is anti-retorisch tot in het tegenovergestelde, de sarcastische litanie).” (Freddy de Vree, De Gids, jaargang 147)

Met de dood van zijn partner Hedwige Benedix (1982) verloor Mariën de twee rechterhanden die hem hielpen in het realiseren van zijn assemblages en objecten. Noodgedwongen keerde hij terug naar zijn eerste liefde, de fotografie, ditmaal met een obsessieve focus op het naakt. In het fotoboek De Openstaande Vrouw (1985) presenteert hij het vrouwelijk lichaam vaak gefragmenteerd of gecombineerd met absurde, kleine objecten. Hierbij balanceert hij bewust op de dunne lijn tussen kunst en pornografie. Voor Mariën was dit een manier om de burgerlijke hypocrisie rondom seksualiteit aan te vallen; hij gebruikte de erotiek om de kijker uit balans te brengen, in plaats van enkel te behagen.

Intellectuele guerrilla

In een wereld van extreme specialisatie is Mariën een herinnering aan de kracht van de amateur in de meest zuivere zin van het woord: iemand die iets doet uit pure liefde en obsessie. Hij was niet slechts “collagekunstenaar” of “schrijver” — hij was een intellectuele guerrilla. Zijn nalatenschap spreekt uit zijn scherpe aforismen, zoals:
“Het leven is een slachthuis waar ze alleen vis verkopen”
“De mens gaat zo vaak naar het kerkhof tot hij er uiteindelijk blijft
“De gevolgen van wat men heeft nagelaten te doen, zijn de zwaarste
Het is absoluut geen verdienste wat dan ook te worden”

Als benjamin van het surrealisme kon hij zich veroorloven alles tegelijk te proberen, in alles tegelijk te mislukken en daar onvoorwaardelijk van te genieten. Hij begreep als geen ander dat volwassenheid — in de zin van conformisme en ernst — giftig is voor de kunst.